Waarom deze kwaliteiten?

Elke kwaliteitskaart in Snapdeck komt ergens vandaan. Niet uit een lijstje op internet, maar uit wat fotografen, museumconservatoren en waarnemingsonderzoekers al zestig jaar zeggen over de vraag: wat maakt een foto goed? Hieronder de korte versie, en per kaart waar het idee vandaan komt. De uitgebreide versie met alle bronnen staat onderaan.

Vier antwoorden op dezelfde vraag

De conservator. John Szarkowski (MoMA, 1966) zag vijf dingen waar elke foto op staat of valt: het ding zelf (je fotografeert iets echts), het detail (een fragment vertelt het geheel), het kader (wat je insluit én wat je weglaat), tijd (elke foto is een uitsnede uit de tijd) en standpunt (waar je staat, en waarom daar).

De fotografen. Henri Cartier-Bresson noemde het het beslissende moment: het ene ogenblik waarop vorm en inhoud samenvallen. Michael Freeman en de meeste handboeken houden het op drie pijlers: licht, compositie en moment. Is er één zwak, dan valt de foto meestal om. Roland Barthes voegde er iets ongrijpbaars aan toe: het punctum, een detail dat jou persoonlijk raakt, vaak zonder dat de fotograaf het zo bedoeld heeft.

De psychologen. Wat het brein makkelijk verwerkt, vinden we mooier (Reber, 2004): één onderwerp, rustige achtergrond, helder contrast. Stephen Palmer mat welke plaatsing mensen mooi vinden: het midden is sterk, en een onderwerp dat de foto ín kijkt wint van een dat eruit kijkt. Rudolf Arnheim beschreef hoe het oog balans zoekt tussen visueel gewicht. En Aude Oliva (MIT) ontdekte dat onthouden iets anders is dan mooi vinden: foto's met mensen, gezichten en handeling blijven hangen, lege landschappen niet.

De computers. Op een kwart miljoen beoordeelde foto's blijken de sterkste voorspellers van een hoge score: eenvoud, een scherp onderwerp tegen een onscherpe achtergrond, een bewuste verdeling van licht en donker en kleurharmonie. De regel van derden voorspelt op zichzelf bijna niets.

Acht dingen die overal terugkomen

  1. Eén duidelijk onderwerp, meteen leesbaar.
  2. Licht dat vorm en sfeer geeft, niet alleen belicht.
  3. Compositie die het oog leidt: balans, lijnen, scheiding van onderwerp en achtergrond.
  4. Het juiste moment: gebaar, blik, samenval.
  5. Een standpunt dat iets toevoegt.
  6. Een detail dat raakt.
  7. Weglaten: wat buiten beeld blijft telt net zo zwaar.
  8. Techniek als voorwaarde, niet als doel.

Per kaart

Compositie

De verzamelkaart: hoe is het beeld opgebouwd? Freeman noemt compositie het ordenen van chaos. De regel van derden is een begin, geen wet: Palmer vond dat het midden vaak juist het sterkste punt is, en in de grote fotodatabases voorspelt de regel op zichzelf bijna niets. Bron: Freeman; Palmer, Schloss en Sammartino; AVA.

Licht en sfeer

Licht geeft vorm, diepte en stemming. Zijlicht tekent, licht van voren maakt plat. Van de drie pijlers (licht, compositie, moment) is dit de pijler die beginners het vaakst vergeten. Bron: Freeman; Mullins.

Dieptewerking

Lagen, overlap en een scherp onderwerp tegen een onscherpe achtergrond: precies de kenmerken die in het computationele onderzoek het sterkst samenhangen met een hoge beoordeling. Bron: Datta; Ke; AVA.

Lijnen

Lijnen zijn Freeman's eerste ontwerpelement: ze leiden het oog. Diagonalen geven beweging, horizontalen rust. Een lijn die het beeld uitloopt, neemt het oog mee naar buiten. Bron: Freeman; Arnheim.

Het verhaal

Foto's met mensen, handen, blikken en een handeling worden onthouden; foto's zonder onderwerp dat iets doet nauwelijks, hoe mooi ook. Een verhaal in één beeld is wat Cartier-Bresson het beslissende moment noemde. Bron: Isola en Oliva; Cartier-Bresson.

Kleurgebruik

Kleurharmonie (complementair of analoog) en weinig hoofdkleuren horen bij de meetbare voorspellers van een goede foto. Eén accent in een verder rustige foto trekt het oog het sterkst. Bron: Freeman; Datta; AVA.

Timing

Het beslissende moment: het ogenblik waarop alles samenvalt. Een reeks maken en kiezen is geen valsspelen, dat deed Cartier-Bresson ook. Szarkowski: elke foto is een uitsnede uit de tijd. Bron: Cartier-Bresson; Szarkowski.

Het detail

Szarkowski's detail: een fragment vertelt het geheel. Barthes' punctum: het kleine ding waar je oog blijft haken. Eén hand, één knoop, één druppel. Bron: Szarkowski; Barthes.

Standpunt

Szarkowski's vantage point: een foto laat de wereld zien vanuit een plek waar je normaal niet kijkt. Het goedkoopste stuk originaliteit dat er is. Bron: Szarkowski.

Weglaten

Szarkowski's frame: een foto is geselecteerd, niet bedacht. Wat je weglaat telt net zo zwaar als wat erop staat. In het onderzoek naar telefoonfoto's is "rommel" de meest genoemde min. Bron: Szarkowski; Frontiers 2022.

Het onderwerp

Eén duidelijk onderwerp, meteen leesbaar: kenmerk nummer één in vrijwel elke bron, van de handboeken tot de psychologie. Een gezicht wint altijd de aandacht. Bron: Reber; Palmer; Isola en Oliva.

Gevoel

Barthes' punctum: het detail dat jou raakt. Niet te plannen, wel te herkennen: de foto waar je naar blijft kijken. Licht en kleur zetten de toon. Bron: Barthes; Isola en Oliva.

Niet in de basisdoos

Deze kwaliteiten zijn niet verdwenen. Ze liggen in de uitbreiding (themakaarten voor een avond) of in de backlog, omdat ze niet op elke foto te beoordelen zijn of opgaan in een kaart die wel in de doos zit.

Textuur

Textuur is één van Freeman's ontwerpelementen (lijn, vorm, textuur, patroon, kleur, ruimte) en vraagt strijklicht: laag en van opzij. Bron: Freeman.

Scherpte

Techniek is een voorwaarde, geen doel: scherpte, belichting en ruis moeten kloppen, maar voorspellen "goed" nauwelijks. Onscherpte elders moet een keuze zijn. Bron: Ke; Frontiers 2022.

Schaduwspel

Schaduw is licht met vorm: Freeman's clair-obscur. Lange schaduwen betekenen laag licht. Bron: Freeman.

Symmetrie

Het midden van het kader is het sterkste punt (Palmer's centrumbias), en het oog zoekt balans (Arnheim). Bijna-symmetrisch is het zwakst: helemaal, of niet. Bron: Palmer; Arnheim.

Creativiteit

Geen kaart meer in de basisdoos, en dat is met opzet: creativiteit is niet één van de kwaliteiten, het is waar het hele spel om draait. Elke opdracht vraagt je eigen kijk, elke twist is een beperking die je dwingt iets anders te verzinnen. Standpunt is de concrete, oefenbare vorm ervan. Origineel maar slordig verliest van gewoon maar perfect: het brein beloont wat het makkelijk verwerkt. En "ongewoon" voorspelt niet of een foto blijft hangen; goed uitgevoerd wel. Bron: Reber; Isola en Oliva.

Minimalisme

Eenvoud is de sterkste voorspeller in alle grote fotodatabases, en de kern van de vloeiendheidstheorie: wat makkelijk te lezen is, vinden we mooi. Bron: Reber; Datta; AVA.

Kijkruimte

De best bewezen compositievoorkeur uit het lab: een onderwerp dat naar het midden kijkt of beweegt vinden mensen mooier dan een dat naar de rand kijkt. Ruimte vóór de blik. Bron: Palmer, Gardner en Wickens; Palmer, Schloss en Sammartino.

Kadering

Een deur, raam of tak als omlijsting geeft diepte en richt het oog. Donker kader, licht onderwerp: het oog gaat naar licht. Dit is het kader ín de foto; wat je weglaat aan de rand is een andere kaart. Bron: Freeman.

Toon en contrast

De verdeling van licht en donker is een sterke meetbare voorspeller. Hoge toon (veel wit) voelt open, lage toon (veel zwart) voelt intiem; grijs en vlak is meestal toeval. Bron: Freeman; Datta; AVA.

Dichtbij

"Als je foto niet goed genoeg is, stond je niet dichtbij genoeg" (Robert Capa). Palmer: wat dichtbij is hoort groot in beeld. Dichtbij met de gewone lens, niet zoomen. Bron: Capa; Palmer, Schloss en Sammartino.

Bronnen